Na afbraak van het hoofdgebouw
van de middeleeuwse Sint Olofspoort in 1618
liet
de hoedenkoopman Jan Reinerts Coster als belegging
het huidige hoekpand bouwen,
een winkelpand met
bovenwoning.
Het pand bleef lang eigendom van de
familie Coster,
nog in 1682 werd zoon Abraham
Jansz Coster in de verpondingskohieren (een soort
aanslag) als eigenaar genoemd. In dat jaar werd
messenverkoper Hendrick Sager eigenaar voor fl.
4300,- .
In deze verkoopakte, en ook in
latere aktes wordt het pand, jammer genoeg, niet met
een naam aangeduid.
In 1711 kocht kruidenier
Johan van Esterwege het huis dat hij tien jaar later
weer verkocht aan Gerrit Morink,
in dienst van
de V.O.C. en schipper op de Kijckuijt.
Na
verschillende 18de eeuwse eigenaren begon
in 1801 Dirk Smit een bakkerij in het pand.
Het
is niet duidelijk of na 1682 de verschillende
eigenaren ook de bewoners waren.
In 1742 woonde
er in ieder geval de kruidenier Adr. Mensing, die
fl. 500,- huur betaalde.
 |
 |
|
Het pand Nieuwebrugsteeg in
augustus 2010 |
Hetzelfde pand in mei 1914, voor de restauratie/ verbouwing.
Foto © Stadsarchief |
Toen de, in 1918 opgerichte, Vereniging Hendrick
de Keyser in datzelfde jaar,
als eerste
verwerving het pand kocht was er nog steeds een
bakkerij in gevestigd.
De bakker woonde boven de
winkel en de woonverdieping daarboven
was
bereikbaar via het buurpand St. Olofssteeg 4.
Bij de aankoop was de gevel vrijwel ongeschonden,
alleen waren er laat 19de eeuwse
schuiframen en een winkelpui uit dezelfde periode.
Een pothuis aan de voorgevel, nog te zien op een
foto uit plm. 1914 was toen al verdwenen.
Na de
aankoop werd de gevel in de bestaande toestand
opgeknapt
en pas in 1932 werd het pand door
architect Jan de Meyer
“teruggerestaureerd”
in de huidige 17de
eeuwse toestand met kruiskozijnen met glas in lood
en luiken en een winkelpui,
ook met luiken en
glas in lood raampjes.
In het fries, boven de
gereconstrueerde houten pui zijn twee bruut behakte
hoekblokken,
Ir R. Meischke veronderstelt dat
deze oorspronkelijk versierd waren met
leeuwenmaskers,
met op de onderrand ANNO en 1618.
In het midden van
het fries zit een gevelsteen met een winkelinterieur
met drie mannen,
waarvan eentje achter een
toonbank waaronder vier vaten staan.
Op een
muurplank staan een aantal conische objecten, wat
kleinere vaatjes en dozen
en geheel rechts staat
op een plank aan de zijmuur een groot vat met daarop
een gevlochten mand.
Daar tot 1928 geen onderschrift
bekend was werd de voorstelling voor die tijd
omschreven als “fraaie bakkerij” (Van Lennep en ter
Gouw 1868)
en “bakkerswinkel”. (Van Arkel en
Weissman, 1903).
Jonkheer Suasso wist kennelijk
ook geen raad met de voorstelling.
Hij noteert
bij het schetsje op pag. 139 van zijn Schetsboek
(1877):
“Basreliëf boven de eerste verdieping in
kleuren overschilderd,
waarop drie mannen in
verouderde klederdracht die…”.

Detail van de steen met daarop
subtiel aangegeven de in 1932 gevonden tekstresten
IN DE LOM,
en de tijdens de restauratie in 2010
door Wil Abels teruggevonden resten van het
onderschrift HOEDE KRAMER
Bij de restauratie in 1932 trof
men echter, van de resten van een weggehakte en
overschilderde tekst,
onder de voorstelling de
letters IN DE LOM aan.
Deze tekst werd aangevuld
met geschilderde letters tot IN DE LOMPEN.
De
eerste auteur die de gevelsteen met deze naam
vermeldt is Ton Koot.
In zijn “En nu Amsterdam
in”waarvan in 1941 de eerste druk verscheen, staat
hij stil bij het pand.
Hij schrijft ‘Het draagt
een gevelsteen
“In de lompen”.
Lompen zijn suikerbroden. Men
ziet deze op de aardige gevelsteen op de tafel
staan’.
In 1943 veronderstelt
H.W. Alings in zijn “Amsterdamsche
gevelsteenen” dat,
gezien de suikerbroden in de
werkplaats op de gevelsteen,
in het pand
oorspronkelijk een suikerbakkerij gevestigd was.
Vanaf dat jaar is de veronderstelde suikerbakkerij
een eigen leven gaan leiden.
Auteurs als Wattjes
en Warners, (Amsterdamse bouwkunst en stadsschoon
1944)
en D’Ailly (Historische Gids 1949) nemen
klakkeloos deze foute veronderstelling over.
Een
suikerbakkerij was in de 17de en 18de
eeuw n.l. een fabrieksmatig bedrijf
dat een
groot en hoog pand nodig had met ruimte voor
kookketels, stookovens en veel droogzolders,
en
daar was in de Nieuwebrugsteeg echt geen ruimte
voor.
De gevelsteen gunt ons een blik
in een 17de eeuwse kruidenierswinkel.
Volgens een inventaris uit 1626 was bij kruideniers
een grote variatie van artikelen te koop.
Vooral
kruiden, maar ook zeep, gedroogde vijgen en krenten,
grauw papier en stijfsel,
en ook suiker in diverse kwaliteiten en
prijzen, zoals suiker in broden en in lompen, en
bruine en witte candij.
Gezien de prijs van
‘fijne refinate’ was dit de beste kwaliteit.
 |
 |
|
Gevelsteen met
3 suikerbroden in de Suikerbakkerssteeg |
De suikerbacker, emblematische prent gemaakt door Jan Luyken (1649- 1712) |
De, in het land van herkomst, Brazilië en de West,
ruw geraffineerde suiker,
arriveerde in
Amsterdam in de vorm van grote, conische
“suikerbroden”.
Deze werden in
suikerraffinaderijen (suikerbakkerijen) via een
ingewikkeld en langdurig proces
verwerkt tot
onder andere kleinere suikerbroden van ruim
anderhalve kilo en lompen van bijna drie kilo.
De
benamingen ‘lomp’ en ‘suikerbrood’ worden
afwisselend gebruikt.
Kenmerkend aan beide
vormen was het blauwe papier waarin ze verpakt
waren.
Op een gevelsteen in de
achtergevel van Nieuwezijds Voorburgwal 67, aan de
Suikerbakkerssteeg,
zijn drie van deze lompen (of
suikerbroden) voorgesteld.
De steen sierde ooit
de gevel van suikerbakkerij De Dry Suijkerbrooden in
de Nieuwe Nieuwstraat.
Bij de recente restauratie door
Wil Abels bleek,
bij het verwijderen van dikke
overschilderingen, tot ieders verrassing,
op het vlak onder de tekst IN DE LOMPEN nog
een tekst gestaan te hebben.
Aan de hand van de
sporen van de weggehakte letters kon de tekst HOEDE
KRAMER gereconstrueerd worden.
Wat deze tekst
precies te maken heeft met de voorstelling op de
gevelsteen moet nog uitgezocht worden.
Gebruikte litteratuur:
A.Poelwijk.
De Amsterdamse suikernijverheid en haar ondernemers,
1580-1630.(2003)
Prof. Dr. F.L.van Muiswinkel.
Het kruideniersbedrijf (1951)
Ir. R.Meischke. Het
Nederlandse woonhuis van 1300-1800. (1969)
Onno Boers.