 |
Gevelsteen T ONVOLMAECKT HVYS |
Hoog in de gevel van het omstreeks 1920 vernieuwde
pand Madelievenstraat 8
zit een, voor bouwhistorici bijzonder interessante
gevelsteen.
In vlak reliëf, als ware het een tekening is een
beslissende fase in de bouw
van een midden 17de eeuws Amsterdams huis
weergegeven.
De houten onderpui is klaar en op de verdieping,
zolder en vliering
zijn de houten kruis- en kloosterkozijnen al aan de
strijkbalk en de kapspanten gehangen.
De kapconstructie is ook al gesteld met twee
gestapelde dakstoelen bestaande uit kromstijl en
korbeel,
en een negental daksporen, bevestigd aan de
nokgording.
Deze technische beschrijving komt uit een brief van
Ir. Henk Zantkuijl,
die zeer verrast was toen wij hem een foto van de
gevelsteen stuurden.
Hij kende de steen niet.
Wij ook niet, ondergetekende werd in 1993 door Elly
Bruinsma op deze bijzondere steen geattendeerd,
te laat dus om ‘m op te nemen in De Gevelstenen van
Amsterdam (1992)

Madelievenstraat 8 in
1954 © Stadsarachief Amsterdam |

Hetzelfde pand in 2007 |
Een bijzonder detail aan de voorgestelde
houtconstructie is
de, aan de verlengde nokbalk bevestigde
vlag met afhangende versiering, de z.g.
meiboom.
Een meiboom werd (en wordt nog wel)
aangebracht als van een gebouw het
hoogste punt was bereikt.
De 17de eeuwse stadsbestuurders hebben
menigmaal verordeningen gemaakt om dit
oude gebruik te beteugelen.
Er werden soms gehele jonge bomen of
zware takken voor gebruikt,
wat bij de grote bouwwoede in die tijd
tot grote schade aan het bomenbestand
leidde.
In 1612 bijv. werd aan timmerlieden en
metselaars verboden
om bomen “te schenden en te scheuren om
de mei te zetten”.
Elke overtreding werd beboet met Fl.
25,-.
Toen is men overgegaan om in plaats van
takken te gebruiken, slingers en kransen
te vlechten
en daarmee de stok van de vlag te
versieren zoals op de gevelsteen
duidelijk te zien is.
De gevelsteen is in de bovenrand
gedateerd 1662
en draagt op de onderrand de tekst T
ONVOLMAECKT HVYS.
Dit onderschrift kunnen we opvatten als
een verduidelijking van de voorstelling
maar misschien ook als een moralistische
verwijzing dat ons aardse huis
onvolmaakt is,
in tegenstelling tot het hemelse huis
dat werkelijk volmaakt is. |
|