De gevelsteen na restauratie door
Wil Abels
De voorstelling op de gevelsteen, het interieur
van een kelderruimte met twee mannen, de een met een
wijnhevel en een glas, en aan beide zijden een
stelling met (wijn)vaten, verklaart het woord “laag”
in het onderschrift. De Dikke van Dale leert ons
dat een “laag” een hoeveelheid van voorwerpen is
die in min of meer horizontale richting ligt, zoals
de vaten op de gevelsteen.
Nu is het
opvallend en wellicht niet toevallig dat het woord
laag, maar dan als de naam Van der Laagh ook
voorkomt bij de diverse huiseigenaren.
Uit het huisonderzoek, dat Hans
Brandenburg voor de VVAG deed, kwam het volgende
naar voren: In 1764
verkoopt Arent Hartjens een huis, achterhuis en erf
gelegen aan de Groene Burgwal, tussen de Korte
Zwanenburgerstraat (de huidige Staalstraat) en de
Raamgracht, alwaar de Laag Brandewijn Stucken in
de gevel staat.
De gevelsteen
vóór de restauratie
Genoemde Arent Hartjens was
de broer en enig erfgenaam van wijlen Catharina
Hartjens en zij waren beiden enig erfgenaam van
hun zuster Maria Hartjens. Arent, Catharina en
Maria waren de enige nagelaten kinderen en
tevens erfgenamen van wijlen Catharina van der Laagh,
weduwe van Jacob Hartjens (testament 07-
04- 1679).
Catharina van der Laagh was een dochter en voor een
derde part mede-erfgename van Trijntje Schutte,
weduwe van Herman Swijnevoet van der Laagh, die met
de executaire kwijtschelding (26-
08- 1695)
eigenaresse van een huis en
erf geworden was.
Het is dit pand dat
op 2 juni 1708 aan eerder genoemde Catharina van der
Laagh, de weduwe van Jacob Hartjens wordt
toebedeeld en in 1764 wordt verkocht.
In de verkoopakte staat o.a. dat het huis na de
toebedeling aan Catharina van der Laagh, in 1708,
“vertimmerd en geschikt gemaakt is tot de
nagemelde percelen” -het betreft hier namelijk
huis en achterhuis- en dan
volgt de bovengenoemde beschrijving.
Uit een koopakte van het noordelijke
buurhuis (uit 1676) blijkt dat in “ons"
pand een door een paard aangedreven
kalandermolen was gevestigd. Er waren
uitstulpingen in de muren, ten koste van de buren
dus, om het paard de ruimte te geven zijn
rondjes te lopen. Een kalandermolen diende om
lakense stof glad en glanzend te maken. De
genoemde “vertimmering” zal het verwijderen van de
kalandermolen en het tot woning verbouwen van
het pand inhouden.
Uit de
ondertrouwakte (1657) van Trijntje Schutte en Herman
Swijnevoet van der Laagh weten we dat hij als
beroep wijnverlater, kleinhandelaar in wijnen,
opgaf. De gevelsteen zal na de “vertimmering”
aangebracht zijn en verbeeld dus op merkwaardige
wijze familienaam en beroep.
Onno Boers. |