Na de grote stadsbranden van 1421 en 1452 werd ook
de kapel op het Begijnhof, de tegenwoordige
“Engelse Kerk” vernieuwd en gewijd aan Maria, St.
Ursula en Johannes de Evangelist. Het hoeft ons
dan ook niet te verwonderen dat we op het Begijnhof
een gevelsteen met de H.
Ursula en een steen met de beeltenis
van Johannes de Evangelist aan treffen.
H. Ursula in de
toegangspoort in
de Gedempte Begijnensloot
Een
fraaie beeltenis van de H.
Ursula maakt deel uit van de toegangspoort in de
Gedempte Begijnensloot. Zij siert daar de
sluitsteen van het, in 1907, door architect A.J.
Joling (1857-1934) vernieuwde poortje.
Boven de sluitsteen, die door sommige kenners aan de
beeldhouwer Joost Jansz Bilhamer wordt toegeschreven
is nog een fraai cartouche met het jaartal 1574
herplaatst. Het jaartal van vernieuwing van de
poort vinden wij terug in het bovendeurlatei: RENOV
; ANNO 1907. In hetzelfde jaar werd ook
het poorthuis met de doorgang naar het Spui
vernieuwd, ook naar plannen van architect
Joling, met beeldhouwwerk van M.A.J.
Hack. Ook hier treffen we weer, in laag
reliëf, de H. Ursula aan
met onder haar mantel een aantal maagden.
Opvallend is dat in de halfronde bovenlijst van de
poort het woord BAGIJNHOF staat i.p.v. het
gebruikelijke BEGIJNHOF.
De gevelsteen van Begijnhof 24

De gevelsteen vóór en na restauratie en de panden
Begijnhof 25- 22
Over de bouw- en
bewoningsgeschiedenis van dit pand is weinig bekend.
Ger van Dijk, auteur van het boekje Van Der
Beghinelande tot Begijnhof, de geschiedenis van
het Begijnhof van 1307 tot heden (2004) schrijft
over dit pand: “Dit huis was een der eerste
huizen dat door het Bestuur van het Begijnhof van de
Begijnen werd gekocht. Het was tot 15 juli 1718
eigendom van het Begijntje Maria van Veen, die het
had geërfd van haar oom, de kapelaan Harmen
Cornelisz Jagt, die het op 4 september 1658 had
aangekocht”.

De restauratie werd uitgevoerd door
Wil Abels
De gevelsteen kunnen we, gezien
de stijl van het
beeldhouwwerk dateren in het 1ste kwart van de 17de
eeuw. Het stelt de H.
Ursula voor met onder haar, van haar gespreide armen
afhangende mantel enkele van de, naar men zegt
11.000 maagden die met haar in Keulen werden
vermoord.
Volgens de “Legenda Aurea”’ een
verzameling heiligenlevens,
in het laatste kwart van de 13de eeuw
gecompileerd en geredigeerd uit reeds bestaande
en soms heel oude Latijnse legenden, door de
Italiaanse dominicaan Jacopa da Varessa (1228-
1298), is Ursula de dochter van de
Christelijke Engelse koning Dionatus. Zij werd
door haar vader uitgehuwelijkt aan de heidense
Engelse vorstenzoon Ethericus, maar ze weigerde
te trouwen met een heiden en wilde haar
maagdelijkheid bewaren. Samen met lotgenoten-
volgens de legende ging het om 11.000
maagden- sloeg ze op de vlucht. Zij voer de
Noordzee over en zeilde de Rijn op naar Bazel en
reisde verder naar Rome en werd daar door Paus
Cyriacus ontvangen. Op de terugreis viel de
groep in Keulen in handen van de Hunnen. Omdat
Ursula ook niet met hun leider wilde trouwen werd ze
samen met haar gevolg door pijlen doorboord.
Paus Cyriacus die met zijn gevolg haar op de
terugreis vergezelde werd eveneens vermoord.

Reliekschrijn
en detail van de heilige
Ursula, door Hans Memling.
Sint- Janshospitaal
Brugge
Vermoedelijk zijn de 11.000 maagden een foute
interpretatie van de oorspronkelijke tekst. In
die tekst stond XI M, waarbij de M als duizend is
geïnterpreteerd. In feite betekende het “elf
martelaren”. Foutief werd dit als elfduizend
vertaald. De schilder Hans Memlinc, overleden
1494, heeft de Ursula-
legende zeer realistisch
uitgebeeld op de z.g. Ursula-
schrijn in het Johannes Hospitaal in Gent.
Onno Boers |